Vijf keer
Hoge Raad
Cassatie
De
laatste kans in de gebruikelijke rechtsgang voor Van Leeuwerden was
nog enkel cassatie bij de Hoge Raad. Dit hoogste rechtscollege bekijkt
of het recht goed is toegepast. Dit houdt in dat deze procedure gericht
is op het alsnog verbeteren van rechtstoepassing van rechtbank en
Hof. De verdediging moest zich dus er vooral op richten aan te tonen
dat kwalificatie moord onjuist was. De bekende strafadvocaat mr Spong
nam nu de zaak op zich maar zag zich geplaatst voor een probleem.
Rechtbank en hof hadden gebruik gemaakt van de verklaringen van de
rij-instructeur en zijn vriendin, gedaan bij politieverhoren. En dan
niet zozeer de eerste verklaringen, maar de latere, gedaan aan het
einde van de verhoormarathon. Die verklaringen waren zeer belastend
(en tegelijk minder consistent). Echter, er kan in cassatie niet meer
geklaagd worden over geloofwaardigheid van getuigen. Nu dus de, voor
Van Leeuwerden ongunstige, verklaringen als vaststaand moesten worden
gezien, werd het moeilijk om de vorige veroordeling aan te vechten.
Hetzelfde probleem deed zich voor wat betreft het medische deel. Er
kon niet meer geklaagd worden over een verkeerd medisch oordeel, tenzij
werkelijk een fout in de procedure aangewezen kon worden.
Op deze manier schoof de Hoge Raad alle bezwaren terzijde. Hoewel
uit de gebeurtenissen niet werkelijk bleek van een “plan”,
de voorbedachte rade, was dat wel door de getuigen verteld. Het alcoholpercentage
was inderdaad nooit onderzocht (of wellicht gewoonweg verzwegen) maar
de vriendin van de rij-instructeur had het flesje gegeven dus was
voldoende aannemelijk dat ze wist waar ze over praatte. Het onderzoek
van dr Laane naar de rum waarin hij een percentage van 43 vond, wordt
in het arrest niet genoemd. Daar werd dus blijkbaar door de Raad minder
waarde aan gehecht dan de mening van de vriendin.
Het resultaat was dat de Hoge Raad het beroep verwierp. De gevangenisstraf
opgelegd door het Hof was onherroepelijk geworden.
Eerste
herziening
Dick was begonnen aan de gevangenisstraf die hem opgelegd was. Alle
mogelijkheden werden echter benut om te herstellen wat zo gruwelijk
was misgegaan. Een mogelijkheid, hoewel dat zeer zelden wordt toegestaan,
was het middel van de herziening. Deze procedure houdt in dat de Hoge
Raad een zaak heropent wegens het bekend worden van nieuwe feiten.
Die nieuwe feiten moeten dan wel zodanig zijn dat, die nieuwe informatie
kennende, het hof waarschijnlijk niet tot dezelfde uitspraak gekomen
zou zijn. Als het verzoek wordt toegestaan zal een ander hof de rechtzaak
opnieuw behandelen.
En er waren veel feiten die niet naar voren waren gekomen, zoals zou
blijken.
Na de cassatie was mr. Spong wederom de advocaat. Op basis van de
verklaringen van twee gerenommeerde deskundigen zou aangetoond worden
dat het vonnis van het Hof niet in stand zou kunnen blijven.
De eerste was prof. Dr. Houthoff, hoogleraar pathologie aan de Universiteit
van Amsterdam, die na een grondig onderzoek stelde: ”..dat van
een vergiftiging of intoxicatie met een voorspelbaar lethaal verloop
voor ieder der genoemde middelen inclusief alcohol geen sprake is
geweest. De na lijkschouwing aangetroffen concentraties van geneesmiddelen
en alcohol zijn overeenkomstig het verwachtingspatroon, gezien de
leefwijze en medicatie van patiënte, of steken hier zelfs gunstig
bij af.” De professor noemt als doodsoorzaak een hartinfarct
of hartritmestoornis het meest waarschijnlijk.
Over de extra sterke rum schrijft hij: “In dit verband wordt
mijns inziens ten onrechte gewezen op de mogelijke alcoholconcentratie
van een bepaalde rumsoort, daar het netto-effect bij toediening hiervan
afhankelijk is van de uiteindelijk toegediende hoeveelheid en de concentraties
waarin dit geschiedde. De hoeveelheid is de norm van de dagelijkse
verwachtingswaarde bij patiënte niet te boven gekomen, met name
zijn geen alcoholpromillages bereikt die bij de alcoholtolerantie
van alcoholici als directe doodsoorzaak kunnen worden aangemerkt.”
Oftewel, hij sluit alcoholvergiftiging uit.
Als tweede werd het rapport overlegd van de vast beëdigde gerechtelijk
deskundige prof. dr. Nelemans, hoogleraar in de toxicologie (= vergiftigingskunde).
Zijn conclusie was duidelijk: “Een zo acuut aflopen als hier
wordt aangegeven, is op grond van de beschikbare gegevens niet aan
het geneesmiddel plus alcoholgebruik toe te schrijven. Er is geen
aanknopingspunt te vinden dat de werking van een of meer van de geneesmiddelen,
al dan niet tezamen met alcohol, de dood heeft veroorzaakt.’
Bovendien kwam Spong met een verklaring van de producent van het door
mevrouw Van Wylick geslikte middel Avival. Daarin stond te lezen dat
het medicijn uit de handel was genomen omdat het in verschillende
gevallen bij ouderen had geleid tot een plotselinge, moeilijk verklaarbare
dood.
De Hoge Raad was hierover kort. De deskundigen baseren zich op dezelfde
feiten als zoals die indertijd bekend waren bij het Hof. Daarom zijn
het geen nieuwe feiten en kunnen ze niet leiden tot een herziening,
hoe overtuigend ze ook zijn. De informatie over het geneesmiddel Avival
was wel nieuw maar was niet zodanig dat een er “ernstig vermoeden”
was dat op basis hiervan het Hof anders zou hebben beslist.
Tweede
herziening
Twee
jaar later, in september 1988, werd een nieuw verzoek tot herziening
van de veroordeling van Dick van Leeuwerden gedaan. Zijn nieuwe raadsman,
mr. Kiek, had er veel werk van gemaakt. Hij legde het accent meer
op het vinden van de werkelijke doodsoorzaak. Door uitgebreid onderzoek
en met hulp van de huisarts van Van Leeuwerden wilde hij zo min mogelijk
aan het toeval overlaten. Gezien de vorige afwijzing werd er zorgvuldig
op gelet dat er nieuwe feiten gepresenteerd zouden worden.
Zo werd voor het eerste precies berekend (mede naar aanleiding van
haar lichaamsgewicht) hoeveel alcohol mevrouw Van Wylick precies die
avond tot zich had genomen. Ze had, zo bleek, geen wijn van 11% maar
van 9% gedronken. Op deze manier was dit nog niet eerder gedaan en
de uitkomst bleek volstrekt overeen te komen met wat Van Leeuwerden
altijd al had verklaard. Deze berekeningen werden door verschillende
deskundigen bevestigd, waaronder die van het Gerechtelijk Laboratorium
in Rijswijk.
Een volgend nieuw feit (juristen spreken over novum) ging over nieuwe
klinische informatie die boven water was gekomen over de gezondheidstoestand
van mevrouw in de periode 1982-1983. Ze had toen een onverklaarbaar
als chronisch kaliumtekort. Daardoor had ze klachten als spierpijnen,
-krampen alsmede valneigingen.
Daarnaast had dr. Zeldenrust in het oorspronkelijke sectierapport
vastgesteld dat de schors van de bijnieren geelbruin was met aan beide
zijden een gele knobbel. Hier had hij verder geen conclusies aan verbonden.
Echter, volgens mr. Kiek had dr. Zeldenrust hiermee een cruciale aanwijzing
over het hoofd gezien. De ingeschakelde deskundige Prof. dr. C.J.van
Boxtel meldde dat tumoren in de bijnierschors bekend zijn als veroorzakers
van het Syndroom van Conn. Deze aandoening heeft als symptomen overmatig
drinken, een kaliumtekort in combinatie met een hoge bloeddruk. Maar
het belangrijkste (en gevaarlijkste) gevolg van deze ziekte zijn hartritmestoornissen.
De verdediging meende hiermee toch wel een belangrijk nieuw feit gevonden
te hebben.
Dit alles werd versterkt door een uitgebreide literatuurstudie door
Prof. van Boxtel, als internist-klinisch farmacoloog verbonden aan
het AMC. In de database die bij uitstek bekend staat om de brede coverage
van de wereldliteratuur op het gebied van geneesmiddelen zocht hij
naar de combinatie van Atosil met alcohol, waarvan Zeldenrust had
gesuggereerd dat die dodelijk had kunnen zijn. Eigenlijk was dit onderzoek
niet eens nodig, want de mening omtrent de schadelijkheid van de alcohol-medicijnencombinatie
was immers gebaseerd op een medicijnenverwisseling. Toch werd het
uitgevoerd. Alle citaten sinds 1979 (al dan niet in abstract-vorm)
uit 3.500 tijdschriften zijn in de database opgenomen. In 84.193 artikelen
wordt geen enkele keer gesproken van een dodelijke combinatie van
alcohol en Atosil. Dr Zeldenrust had nog bij het Hof gezegd dat “algemeen
bekend was dat de combinatie van dit middel met alcohol fataal kon
zijn.” Waarom Zeldenrust dit in zo algemene termen verklaard
had was niet te zeggen, misschien was de medicijnverwisseling hem
ontgaan. In ieder geval was zijn uitleg strijdig met bestaande wetenschappelijke
onderzoeksresultaten.
Op basis van die studie en nalezing van de sectierapporten kwam dr.
Van Boxtel tot de conclusie dat “er nu vrijwel geen twijfel
aan kan bestaan dat patiënte is overleden aan een ritmestoornis
van het hart ten gevolge van een ernstige hypokaliemie, die naar alle
waarschijnlijkheid werd veroorzaakt door aldosteron-overproductie
in tumoren van de bijnierschors.”
Tenslotte beklaagde mr Kiek zich erover dat bij de oordeelsvorming
door het Hof het ontbroken heeft aan essentiële klinisch-medische
informatie. Voor zover die informatie er wel was kwam die van (medisch
ondeskundige) politiemensen en was daardoor onjuist en onvolledig
(medische informatie moet op schrift en voorzien van details verstrekt
worden). Indien bijvoorbeeld van koorts sprake is moeten details van
temperatuurmetingen bijgevoegd worden, zodat conclusies door andere
medici gecontroleerd kunnen worden). Pas veel later baseerden deskundigen
zich op nieuwe informatie van dr. Stevens, de internist van mevrouw
Van Wylick, welke informatie niet aan Dr Zeldenrust was toegestuurd
eerder bekend was. De latere deskundigen als Prof. Houthoff en Nelemans,
de deskundigen die bij het eerste herzieningsverzoek betrokken waren
aangevoerd werden baseerden zich ook op die nieuwe informatie; dus
zou hun oordeel als nieuw feit moeten gelden.
In een herzieningsprocedure (en overigens elke andere procedure bij
de Hoge Raad) is het eerst aan de procureur-generaal om een advies
uit te brengen. Dit advies wordt in de regel gevolgd door de Raad.
Dit advies was positief voor Dick. Mr. Meijers zei in zijn advies
‘aarzelend’ voor een nieuwe behandeling te zijn. Er waren
‘indringende vragen’ naar aanleiding van de nieuwe informatie
naar voren gekomen die door andere deskundigen beantwoord moesten
worden.
De Hoge Raad was het hier niet mee eens. Zeker op bepaalde momenten
hanteerde zij hiervoor een erg formalistische benadering, die voor
Dick en zijn medestanders erg moeilijk te verteren was. Het werkte
nu zelfs tegen Van Leeuwerden dat het gerechtshof het alcoholgebruik
van die avond nooit werkelijk had achterhaald. De Hoge Raad stelde
dat omdat het hof het alcoholpromillage nooit precies had vastgesteld,
de berekeningen van dr Laane weinig relevant waren. Enkel de verklaringen
van de rij-instructeur en zijn vriendin waren gebruikt als bewijsmiddel.
De Raad ging er wel in mee dat destijds de deskundigen niet uitgegaan
waren van de medisch-klinische gegevens van de internist, en dat Houthoff
en Nelemans dat wel gedaan hadden. Echter het rapport van de internist
was wel uiteindelijk bij pleidooi door de raadsman ingediend en was
dus geen “nieuw feit”. Het was dus volgens de Hoge Raad
niet belangrijk dat de deskundigen,op wiens oordeel het Hof haar bewijs
had gebaseerd die cruciaal bewijs moesten leveren, zich blijkbaar
op onvolledige informatie gebaseerd hadden.
Het was voor Dick extra zuur dat de werkelijke reden van het niet-horen
van de internist lag in het niet nakomen van een afspraak tussen de
internist en de politie. Immers, na een eerste verhoor van dr. Stevens
zou de politie terugkomen voor een meer gedetailleerd, medisch-technisch
verhoor. Daar echter dr. Stevens al gesteld had de alcohol-medicijnentheorie
niet te ondersteunen, is de politie niet meer bij hem teruggeweest.
Over de hypokaliemie zei de Hoge Raad dat, hoewel het Hof hiervan
niet op de hoogte was geweest, het niet afdeed aan het gevelde eindoordeel.
Of mevrouw Van Wylick de ziekte had was niet meer te bewijzen. Mocht
ze het gehad hebben, dan was er nog altijd de alcohol-medicijnencombinatie.
Ook de rum van 95% kwam weer tersprake. Verder bleef volgens de Hoge
Raad nog het feit over dat niet tijdig hulp was ingeroepen. De stapeling
van feiten in het dossier had wederom zijn werking. Het verzoek werd
afgewezen.
Intermezzo: Medisch Tuchtcollege
Dick van Leeuwerden probeerde op allerlei manieren zijn eerherstel
te krijgen. Met de hulp van zijn huisarts dr H.M. Laane zette hij
een procedure in gang voor het Medisch Tuchtcollege. Zo kon hij het
falen van het Gerechtelijk Laboratorium aantonen en eventueel op basis
hiervan een nieuwe herziening krijgen.
De klacht richtte zich op de bejaarde dr Zeldenrust die medicijnen
had verwisseld; een onschuldige stof, ingrediënt van hoestdranken,
zou dodelijk kunnen zijn. Bovendien had Zeldenrust een aantal algemene
opmerkingen gemaakt en veronderstellingen geuit die niet waren toegespitst
op het concrete geval rond mevrouw Van Wylick, waardoor ten onrechte
werd gesuggereerd dat van een onnatuurlijke dood sprake was.
Er waren bovendien nog onbeantwoorde vragen. In correspondentie met
dr Laane had hij diens berekeningen over het alcoholgebruik van mevrouw
Van Wylick op de avond van haar dood onderschreven. Als zij vlak voor
haar overlijden nog rum van 95% te drinken zou hebben gehad, dan was
dat bij de sectie zeker gebleken en dat was niet het geval geweest.
Zeldenrust bevestigt ook dat Van Leeuwerden zijn vrouw alleen datgene
heeft toegediend wat de artsen haar voorgeschreven hadden. Hij gaf
ook toe dat hij de mogelijkheid van een hartinfarct niet had onderzocht
omdat het hem niet gevraagd was. Hij had bovendien geen gegevens opgevraagd
bij de internist en enkel de gegevens van de politie gebruikt. Tenslotte
wilde Van Leeuwerden zich beklagen over de manier waarop Zeldenrust
getuigde. De man was zo doof dat alle vragen schriftelijk gesteld
moesten worden. Vragen moesten in telegramstijl opgesteld worden waardoor
een zorgvuldige ondervraging onmogelijk was. Het verlies van details
en nuances hadden Dick van Leeuwerden geen goed gedaan.
Het Tuchtcollege verklaarde hem echter niet ontvankelijk. Dr Zeldenrust
had vlak voordat de zaak in behandeling zou worden genomen zijn ambt
neergelegd. Volgens het tuchtrecht vervalt dan het belang van de klager
en dat betekende dat de kans om op deze wijze zijn onschuld aan te
tonen voor Van Leeuwerden voorbij was.
Zijn huisarts, dr Laane, schrijft dan: “Het was de laatste druppel.
Hij is daardoor definitief beschadigd voor de rest van zijn leven.
Ik heb hem zien veranderen van een opgewekte, positieve man die altijd
klaar stond voor anderen, voor wie geen moeite te veel was, in een
afgestompte depressieve man met duidelijk suïcidale neigingen.
Een ernstig beschadigde man.”
Intermezzo (2): Europese Commissie voor de Rechten van de Mens
Dr Laane had zich het lot aangetrokken van zijn patiënt. Hij
had al in de procedures tot nu toe bijgedragen door zijn berekeningen
over de alcohol. Nu legde hij de zaak voor aan de Europese Commissie
voor de Rechten van de Mens bij de Raad van Europa in Straatsburg.
Het was hem niet duidelijk welke formaliteiten voor zo’n verzoek
golden. Op zo’n formalitiet ging het mis: de termijn voor indiening
was verlopen en daarom werd zijn verzoek niet in behandeling genomen.
Derde
herziening
In
de derde herziening komt mr. Kiek wederom met een novum: één
van de oorspronkelijke deskundigen, drs. Van der Ark (de farmacoloog
van het Gerechtelijk Lab) heeft inzage gekregen in de nieuwe informatie
en de verklaringen van de hoogleraren, en als gevolg komt hij geheel
terug op wat hij toentertijd heeft verklaard: “Het valt naar
het oordeel van ondergetekende dan ook zeer te betreuren, dat de gegevens
die bepalend zijn voor het deskundige oordeel van de boven genoemde
hoogleraren, destijds, tijdens de strafzaak, niet bekend zijn geweest.
Zou dat wel geval zijn geweest, dan zou ondergetekende en naar het
oordeel van ondergetekende ook Dr Zeldenrust tot dezelfde bevindingen
en conclusies zijn gekomen als de bovengenoemde hoogleraren.”
Van den Ark dacht dit te kunnen stellen omdat Zeldenrust zich op zijn
gegevens baseerde. Zeldenrust kon zelf niets meer verklaren omdat
hij inmiddels was overleden.
Daarnaast was mr. Kiek ontevreden over het antwoord van de Hoge Raad
op zijn tweede herzieningsverzoek. Hij ging door op datgene waar de
Hoge Raad te makkelijk overheen stapte. De Raad had gezegd dat hoewel
de informatie van de internist in het begin onbekend was, het wel
bij pleidooi was ingediend en dus geen “nieuwe informatie”
was.
Hier bracht mr Kiek het volgende tegen in: het gaat er niet om dat
het gerechtshof wel of niet deze informatie had, het gaat erom of
de medische deskundigen ten tijde van hun oordeel hierover hadden
kunnen beschikken. Immers, het hof heeft zelf niet de medische kennis
om goed over die informatie te oordelen.
Zelfs zonder het rapport van de internist wezen de oorspronkelijke
deskundigen op de combinatie medicijnen en alcohol als een mogelijke
doodsoorzaak. Als echter zoveel deskundigen op basis van later bekend
geworden informatie vaststellen dat het vrijwel zeker het Syndroom
van Conn geweest moet zijn, kan men dan vasthouden aan een eerdere
conclusie omtrent een mogelijke doosoorzaak? Alle andere
genoemde factoren (zoals het veronderstelde geven van soep met rum)
zouden dan niet meer relevant zijn.
De kans van slagen leek ook deze keer reëel. Immers, het was
de advocaat gelukt was om, voor zover mogelijk, alle medici inclusief
één van de oorspronkelijke getuige-deskundigen te laten
verklaren dat mevrouw vrijwel zeker aan een interne ziekte (d.w.z.
uit zichzelf) was overleden.
Het advies van de procureur bestond inhoudelijk uit slechts enkele
zinnen. Bij het vorige herzieningsverzoek had de Raad al gezegd dat
de gezondheidstoestand van mevrouw en de daaraan verbonden conclusies
geen novum waren. Als dan van der Ark zich hierbij aansluit is dat
niet anders. Daarnaast is de stelling van Van der Ark over de mening
van Zeldenrust volgens de P-G slechts een mening of gissing, ondanks
het feit dat dr. Zeldenrust zich op deze informatie gebaseerd had.
De Hoge Raad was het hiermee eens en herhaalde letterlijk wat het
bij de vorige beschikking al had gezegd.
Vierde
herziening
De
vorige verzoeken liepen steeds vast op hetzelfde. Hoeveel van het
medische deel van de zaak ook onderuit gehaald kon worden, de getuigenverklaringen
van de rij-instructeur en zijn vriendin spraken nog steeds ondubbelzinnig
over moord met voorbedachte rade. Het was dan ook precies dit wat
de nieuwe advocaat mr. Korvinus als onderwerp maakte van het vierde
herzieningsverzoek (hoewel ook hij kritiek gaf op de vorige beslissingen
van de Raad door de tegenstrijdigheid aan te geven tussen het oordeel
van het Hof en alle later aangevoerde medische deskundigen).
Korvinus overlegde notariële verklaringen van de rij-instructeur
en zijn vriendin. Indien getuigenverklaringen in het bijzijn van een
notaris wordt afgelegd krijgen zij juridische geldigheid. Deze verklaringen
verschilden op belangrijke punten van die bij de politie waren afgelegd.
Zo vertelde de vriendin nu: ”Ik weet niet wat het alcoholpercentage
van die rum was die ik van vrienden in Suriname heb gekregen. Wel
weet ik dat er in Suriname rum werd gemaakt van 90% en dat heb ik
aan de politie verteld.” Beiden vertelden ook dat die avond
van haar dood een arts niet had kunnen baten. De rij-instructeur had
zijn vriendin die avond gebeld en toen zij Dick aan de lijn kreeg
vertelde hij dat ze al overleden was. Tot slot verklaarde ze dat:
“er geen enkele samenzwering is geweest om mevrouw Van Wylick
van het leven te beroven, noch dat er plannen in die richting zijn
gemaakt; de inhoud van deze processen-verbaal veel elementen bevatten
van zaken die besproken zijn, doch dat deze op de verkeerde manier
weergeven wat er werkelijk is gebeurd.”
De rij-instructeur maakte een opsomming van alle punten van zijn oorspronkelijke
verklaring die onjuist waren en kwam tot de zestien; er was bijvoorbeeld
nooit over gesproken hoe men het geld in handen zou kunnen krijgen
of en er waren ook geen plannen in die richting gemaakt. Er was pas
over haar overlijden gesproken nadat ze was overleden en niet ervoor.
Verder had hij nooit gezien dat gin, wijn en de vermeende superrum
ingeschonken werd. Door zijn verklaring werd wel duidelijk hoe de
politie aan het rum-verhaal kwam; “Dick heeft niet verteld dat
hij die avond “soep heeft opgediend waarin hij een scheut alcohol
gegooid had van die fles van 95%.” Dick heeft wel verteld dat
mevrouw Van Wylick “soep met alcohol” heeft gehad. Dit
kan op meerdere manieren worden geïnterpreteerd.(…) Voortdurend
duikt het verhaal over Surinaamse rum van 90% en zelfs 95% op. Hierover
het volgende citaat: ‘zomer 1982 zijn Gerda en ik op vakantie
naar Suriname geweest en toen heeft Gerda van een kennis een fles
rum gehad. Van deze rum heeft Dick van Gerda nog voor de zomer een
klein flesje meegenomen, dus lang voordat er sprake was van een huwelijk.
Wij weten niet hoe sterk het alcoholgehalte was. Wel weten we, en
dat is ook verteld bij de recherche, dat in Suriname alcohol wordt
gestookt in Mariënburg. Deze alcohol had een percentage van 90%
en diende als grondstof voor de bereiding van rum. Overigens was die
fabriek in Mariënburg toen wij in 1982 in Suriname op vakantie
waren enkele jaren daarvoor gesloten. De rum die wij meekregen zat
niet in de oorspronkelijke verpakking, maar werd vervoerd in een fles
met het opschrift “Malibu”. Daarom weten wij niet wat
het alcoholgehalte was. Door de recherche is gevraagd of de rum 90%
kon zijn. Als je niet weet hoe sterk het is, kun je dat evenmin ontkennen
en zo is het rumverhaal een eigen leven gaan leiden.”
Het verzoek besluit met een verklaring van dr. Laane, die in zijn
hoedanigheid van huisarts en huisartsopleider verbonden was aan de
Universiteit van Amsterdam. Ook was hij voormalig gemeentelijk lijkschouwer
en anatoom bij de Universiteit van Amsterdam. Hij had bekeken hoe
het medisch oordeel van de deskundigen toentertijd tot stand was gekomen.
Hier was al veel over gezegd maar toch bracht dr. Laane een aantal
opvallende zaken boven water. Zoals gezegd moest dr. Zeldenrust het
bij de sectie zonder medisch-klinische informatie (gespecificeerde
medische diagnoses met details erbij, bijvoorbeeld een ziekenhuisdossier)
doen. De informatie die de dokter wel had kwam van de politie in de
vorm van politieverhoren. Afgezien van het feit dat een lekenverhaal
ongeschikt was voor een medisch onderzoek, was deze op belangrijke
punten onjuist. Zo zou de arts die de dood had geconstateerd zich
hebben verbaasd dat de woning geschilderd was terwijl mevrouw niet
eens zou kunnen zien als de verf eraf zou bladderen. Tegenover dr.
Laane verklaarde hij echter dat hij wist dat mevrouw een oogoperatie
had ondergaan en dat zij heel goed de verf kon zien.
Een ander punt is het oordeel van dr Zeldenrust over de medicijnen
die mevrouw Van Wylick gebruikte. Daar had hij geen verstand van maar
baseerde zich op het oordeel van prof Nelemans, een expert op dit
gebied. Zij overlegden telefonisch hierover maar de communicatie verliep
erg moeizaam door de slechthorendheid van dr Zeldenrust. Hierbij had
prof Nelemans gezegd over de medicijnen als doodsoorzaak: “het
kan niet”. Dr Zeldenrust had verstaan: “het kan.”
Het tweede deel van de verklaring van dr Laane ging over een deel
van de conclusie van het gerechtshof, waarin Dick verweten wordt dat
hij geen hulp inriep van een arts en op die manier verantwoordelijk
was voor haar dood. In zijn verklaring bescheef de arts het perspectief
van de gemiddeld huisarts en zette dit tegenover het oordeel van het
Hof. De overledene was al jaren alcoholiste voor de komst van Van
Leeuwerden en nam medicijnen die op dat drinkgebruik waren afgestemd.
Als er een risico was, lag die verantwoordelijkheid bij de artsen.
Op de avond van overlijden had mevrouw “tekenen van uiterlijk
onwel bevinden en/of machteloosheid (zweten/pijn in haar benen).”
Deze symptomen had zij al eerder, daarvan werd melding gemaakt in
andere getuigeverklaringen. Daarvoor had Van Leeuwerden al vaker de
huisarts gebeld en die kon toen niets vinden. Dr Laane concludeert
dat een huisarts waarschijnlijk niet eens gekomen was: “Hoe
zou overigens de reactie van een huisarts zijn, die ’s avonds
gebeld wordt met de mededeling dat een patiënte van tweeënzeventig
jaar na de nodige alcoholconsumptie zweet en pijn in de benen heeft
en dat de bloeddruk zou zijn opgelopen tot over de tweehonderd.”
De huisarts zou te horen hebben gekregen dat bekend was dat ze hoge
bloeddruk had en daarvoor onder behandeling bestond. Volgens dr Laane
zou het advies zijn geweest dat ze maar moest gaan slapen en de volgende
dag nog eens moest bellen als zich andere en bedreigende symptomen
zich hadden voorgedaan.
De conclusie was dat er geen argumenten waren om acute medische hulp
in te roepen.
Het revisieverzoek wordt afgesloten met een brief van de Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG)
aan de toenmalig minister van Justitie. Het stelde bekend te zijn
met de strafzaak en dat de veroordeling grotendeels steunde op het
rapport van dr Zeldenrust. In de brief stond verder: ”Door vele
andere artsen is nadien de onjuistheid van dit rapport naar voren
gebracht. (…) Voor de betrokkene zelf, die telkens met grote
nadruk heeft verklaard dat sprake moet zijn geweest van een natuurlijke
dood, maar ook voor de artsen die deze verklaring met wetenschappelijke
bewijzen hebben ondersteund, is deze gang van zaken niet te verdragen.”
Het bestuur van de KNMG pleitte dat wanneer de consequenties zo groot
kunnen zijn, voortaan niet meer een deskundige ingeschakeld zou worden.
Het kon het vertrouwen in de medische stand schaden wanneer in brede
kring in afkeurende zin gesproken werd over een medisch rapport.
Wederom waren zowel de conclusie van de Procureur-Generaal als die
van de Hoge Raad afwijzend.
De Raad begon met erop te wijzen dat bij een herzieningsaanvraag niet
meer met succes gewezen kon worden op informatie die al bij vorige
herzieningsaanvragen naar voren was gebracht. Dit was een aankondiging
dat een deel van het verzoek als een herhaling werd beschouwd.
Niet zozeer of dr Zeldenrust goed geïnformeerd was maar of het
Hof niet over informatie beschikte dat het tot een ander oordeel had
laten komen, was relevant. Dr Laane en de internist van mevrouw Van
Wylick hadden wel bij het Hof getuigd (de laatste schriftelijk) en
hadden daar al aangeduid dat het onwaarschijnlijk was dat de combinatie
alcohol en medicijnen tot haar dood leidde. Wederom zag de Hoge Raad
dus niet het belang ervan dat een medisch deskundige alle informatie
heeft.
Dat dr. Laane vertelde dat dr. Zeldenrust prof. Nelemans verkeerd
verstaan moest hebben, was juridisch niet relevant omdat het neer
kwam op een “mening, gissing dan wel redenering.”
Het opmerkelijke aan het oordeel van de Hoge Raad was dat een tegengestelde
mening van een professor met expertise in medicijnen niet relevant
werd geacht. Het bewijs steunde enkel op een arts die tijdens de rechtszitting
zelf expliciet toegaf dat hij van medicijnen geen verstand had.
Of nu wel of niet een arts was gekomen woog niet zwaar genoeg om een
herziening toe te staan. Het Hof noemde dit laatste namelijk wel als
een bewijs voor de kwade opzet van Van Leeuwerden.
Nu bleven enkel de ingetrokken en opnieuw afgelegde verklaringen
van de kroongetuigen over. Als een getuige zijn verklaring intrekt,
zeker in deze gevallen, wordt gekeken naar de motivering ervan. In
dit geval vond de Hoge Raad het bijdraaien van de vriendin ongeloofwaardig.
Het wilde er bij de rechters niet in dat zij bij de rechtbank en Hof
niet van haar eerdere verklaring af had kunnen stappen. Ook de procureur-generaal
vond dat ze in ieder geval het bij de rechter-commissaris had kunnen
melden omdat er daar ‘minder druk’ zou zijn. Blijkbaar
geloofde men niet wat zij daar over had gezegd: (bij de rechter-commissaris):
“De eerste advocaat die ik had was er één van
een toevoeging. Hij zei “het ziet er lelijk voor je uit. Daar
kan je vele jaren voor krijgen”. Ik had er geen enkele steun
aan. De angst bleef, werd niet minder.”
“Ook bij de rechter commissaris kon ik geen woord uitbrengen.
Ik was bang, bang, bang.”
Over het deel bij de rechtbank: “Op de zitting werd ik als getuige
gehoord. Althans wat daar voor moet doorgaan. Daar werden delen van
mijn verklaringen voorgelezen uit de processen-verbaal. En daar moest
ik bij blijven, anders was het meineed. Dat werd mij toegebeten door
de voorzitter de heer Slagter. Hij zei: “wilt u iets herroepen,
dan is dat meineed”. Hij zei ook: “weet wat u over de
politie zegt, want ze zitten in de zaal”.
Over het Hof: “De procureur-generaal had een aantal parketwachters
opgetrommeld, die in de zaal aanwezig waren. Die zouden ons weer oppakken.
Daarmee werd je gedreigd. Dus ook bij het gerechtshof kan je dus niet
zeggen wat er werkelijk gebeurd is.”
De rechters waren niet overtuigd. Dat er druk was uitgeoefend had
het Hof geweten omdat de raadsman van Van Leeuwerden dat destijds
al gezegd had. Het was niet genoeg en het verzoek werd afgewezen.
Vijfde
herziening
Op
dit moment ligt bij de Hoge Raad een nieuw herzieningsverzoek. Mr.
Knoops is de nieuwe raadsman. Knoops heeft zich bewezen op het gebied
van herzieningsaanvragen: hij was succesvol in zowel de Puttense moordzaak
(de eerste ‘grote’ herziening in lange tijd) alsmede de
zaak-Wittenberg (Deventer).
De aanvraag is in behandeling, en slechts de hoofdlijnen ervan zijn
publiek.
Er is een nieuw rapport van hoogleraar cardiovasculaire pathologieprof.de.
A.E. Becker (AMC), die ook verantwoordelijk is voor de opleiding van
pathologen-anatomen. Hij spreekt van ‘belangrijke tekortkomingen’
en ‘onzorgvuldigheden’ in het sectierapport van Zeldenrust.
Het is zo erg dat hij schrijft ‘Het moet mij van het hart dat
ik met verbijstering van de stukken heb kennisgenomen. [ ] Zeldenrust
heeft geen oog gehad voor gezwellen aan de bijnierschors die leiden
tot kaliumgebrek, waardoor gevaarlijke hartritmestoornissen te verwachten
zijn’.
Hij kritiseert Zeldenrust voor het niet inwinnen van een advies van
cardioloog en farmacoloog, terwijl hij dat nota bene zelf eerder aanbeveelt.
De conclusies van Zeldenrust zijn ‘volstrekt onjuist’
en er ‘is geen excuuss’ voor de vele fouten.
Ook voor de eerste maal als nieuw feit is opgevoerd de bijzondere
omstandigheid dat het proces-verbaal van het verhoor van de behandelend
internist geheel uit het dossier verdwenen is, en derhalve nooit aan
de oorspronkelijke deskundigen is voorgelegd. Daarin stelde dr. Stevens
dat er geen sprake kon zijn van een gevaarlijke alcohol-medicijnencombinatie,
omdat de medicijnendoseringen door hem zelf waren afgestemd op haar
alcoholgebruik. Hij stelt dat een samenhang tussen alcoholgebruik
en lichamelijke toestand ‘gezocht’ is, en dat de beweringen
dat het overlijden het gevolg zou zijn van extra toegediende alcohol
‘meer weg hebben van een aardig script voor een tweederangs
crimifilm’.
Het mocht voor Dick niet baten.
In een beslissing dd. 30 september 2003 heeft de Hoge Raad der Nederlanden
het vijfde
Herzieningsverzoek afgewezen.
De Hoge Raad stelt in haar afwijzing onder andere dat veel van de
aangevoerde punten al eerder bij het gerechtshof bekend waren, hetzij
al in eerdere herzieningsverzoeken vervat waren. Verder is de Raad
van mening dat het gerechtshof niet alleen geconcludeerd heeft op
het punt van de alcoholmedicijnencombinatie, maar ook op grond van
de andere ziekte-symptomen waar Dick niet adequaat op gereageerd zou
hebben. Mevrouw zou geleden hebben aan een hartkwaal, hoge bloeddruk,
en ‘uiterlijke tekenen van lichamelijk onwel bevinden en/of
machteloosheid [..]’, en Dick zou haar daarna nog alcohol gegeven
hebben en nagelaten hebben medische hulp in te roepen (dit alles is
altijd door de verdediging met kracht bestreden).
Over die andere aspecten schrijft de Raad:
‘Omtrent die bedoelde andere aspecten, welke een wezenlijk
onderdeel uitmaken van de gronden waarop het Hof de veroordeling heeft
gebaseerd, houdt de aanvraag niets in, zoals ook de eerdere aanvragen
daaraan zijn voorbijgegaan’.
Van Leeuwerden, zijn advocaat prof. mr. Knoops en de andere medestanders
van Dick leggen zich beslist niet neer bij deze afwijzing. Er zal
zeker een zesde herziening worden ingediend. Prof. mr. Knoops:
‘Zonder op de zaken te willen vooruitlopen, kan worden vastgesteld
dat de Hoge Raad de mogelijkheid open laat dat omtrent het verwijt
van niet (medisch) ingrijpen, zich een novum kan voordoen. Hierop
zullen wij ons nu richten.’
En
verder?
Tussenconclusie
Het is verhelderend nog eens de bevindingen van alle herzieningen
te overzien.
De professoren Houthoff en Nelemans bestrijden de conclusies omtrent
de alcohol-medicijnencombinatie.
Als het alcoholpromillage berekend wordt op grond van de door Dick
opgegeven consumptie van mevrouw, klopt dat met het gemeten promillage.
Er is dus geen extra rum geweest.
Verder is uit bestudering van eerdere medische dossiers en herinterpretatie
van bestaande gegevens op te maken dat het overlijden te wijten is
aan de ziekte van Conn.
Ook de oorspronkelijk betrokken farmacoloog van het Gerechtelijk Labaratorium,
van den Ark, onderschrijft de nieuwe conclusies en is tevens van mening
dat Zeldenrust dat ook gedaan zou hebben, daar die zich immers op
zijn rapportage baseerde.
De kroongetuigen trekken al hun aantijgingen tegen Dick formeel, bij
de notaris, in.
Professor Becker kraakt het sectierapport, vindt cruciale fouten en
acht het ongeschikt om enige conclusie op te baseren.
De nieuwe medische conclusies in de eerste drie herzieningsaanvragen
werden steeds afgewezen met het argument dat zij dan wel niet nieuw
waren, dan wel geen feit, maar slechts een mening of veronderstelling.
De ‘bekering’ van de kroongetuigen wordt niet geloofwaardig
geacht.
En
verder?
Hoewel er eigenlijk geen nieuwe feiten in fysieke zin meer zijn (alle
beschuldigingen uit het vonnis van het hof zijn weerlegd) zijn er
nog tal van aspecten waarop een juridisch novum gebaseerd kan worden.
Een voorbeeld: de Hoge Raad stelt steeds dat nieuwe medische conclusies
slechts ‘een mening’ zijn, en geen ‘nieuw feit’.
Stelt men zich echter voor, dat de beroepsorganisatie van internisten
of farmacologen een commissie aanwijst die zich een oordeel vormt
over de nieuwe medische conclusies. Hoe zou men dan kunnen stellen
dat het ‘een’ mening is? De meest gezaghebbenden hebben
deze immers geformuleerd?
Verder valt er aan een integrale herziening te denken. Immers, in
de gedane herzieningen zijn steeds deelaspecten besproken, en de geuite
bezwaren waren voor de Hoge Raad niet voldoende voor een herziening.
Slotwoord
De komende tijd zal de actiegroep Dick Moet Vrij zich richten op voorlichting
aan rechtenstudenten en – faculteiten, om op die manier meer
steun te mobiliseren. Deze site is een eerste stap: iedereen kan nu
zelf het dossier bestuderen.