Vonnis Gerechtshof
Gerechtshof
Twee
weken voor de behandeling van het hoger beroep liet Van Leeuwerdens
advocaat verstek gaan wegens privé-omstandigheden. Er moest
dus zo snel mogelijk een vervanger gezocht worden. Deze werd gevonden
in mr R.H. Berendsen. “Ik was pas twee jaar bezig en verkeerde
nog in mijn stage-tijd als advocaat. Maar ik was de enige op kantoor
die strafzaken deed. Ik heb dan ook openlijk met Van Leeuwerden besproken
dat mijn ervaring beperkt was.”
De tweede, bizarre tegenslag diende zich ook aan: een tot dan toe
onbekende man benaderde Dick en bood aan om hem tegen betaling vrij
te pleiten. Hij vertelde erbij dat hij gelijk naar de familie en justitie
zou gaan, als Dick niet zou betalen. De procureur-generaal blijkt
inderdaad de verklaring overgenomen te hebben. De man beweerde dat
hij Van Leeuwerden op diens verzoek en geantidateerd 750.00 Zwitserse
francs zou hebben willen lenen. Op deze manier zou Van Leeuwerden
vermogend zijn geweest en zou er geen financieel motief voor de vermeende
moord zijn geweest. De nieuwe raadsman kon echter makkelijk dit verhaal
onderuit halen en verwachtte dit ook met de hele aanklacht te kunnen
doen, hetgeen gezien het inmiddels verzamelde feitenmateriaal niet
onaannemelijk leek.
Hij begon met de getuigen, te weten de vriendin van de rij-instructeur.
“Zij had bij mij op kantoor haar hele verklaring tegenover de
politie ingetrokken,” vertelt mr Berendsen. “Maar op de
zitting dreigde de procureur-generaal haar met een mogelijke vervolging
wegens meineed, waarna ze weer dichtklapte.”
Ook de rij-instructeur zelf had bij zowel de rechter-commissaris als
later tijdens zijn eigen rechtszaak zijn belastende verklaringen over
de rum teruggenomen. Dat kon mr. Berendsen echter niet gebruiken,
omdat beide zaken (die van Dick en de medeplichtigheid van de rij-instructeur)
samen, als één zaak, behandeld werden. Artikel 341 van
het Wetboek van Strafrecht stelt dat een getuigeverklaring van een
medeverdachte niet als bewijs toelaatbaar is. Daarmee had het artikel
hier een tegengesteld effect dan wat de wetgever ermee bedoelde; de
intentie is immers te voorkomen dat men ten onrechte zijn mede-verdachte
beschuldigt om de eigen huid te redden. Dick en zijn medestanders
doorzagen deze constructie waarschijnlijk te laat. Ook de merkwaardige
vrijlating van de vrouw (die toch volgens de eigen verklaring samen
met Dick ‘dagelijks’ de dood van Brouwers besproken had)
had als effect dat ze nu wel als getuige tegen Dick kon optreden.
Op zich was de vrijlating onverwacht, maar ook de getuigenis op zichzelf
was merkwaardig, want ze beschuldigde immers ook haar vriend (met
wie ze samenwoonde en kinderen had) ook van medeplichtigheid. Waren
ze getrouwd geweest, dan had dit niet gekund: men hoeft niet tegen
familie in de eerste graad te getuigen. In de pers werd dan ook de
vraag gesteld of Justitie haar ook vrijgelaten zou hebben had als
zij getrouwd was geweest en dus niet had hoeven te getuigen.
Vervolgens stelde de raadsman een aantal inconsistenties en fouten
aan de orde die hij had aangetroffen in het sectie-rapport van de
patholoog-anatoom dr J. Zeldenrust. Daarbij werd hij gesteund door
een onderzoek dat de huisarts van Van Leeuwerden, Henk Maarten Laane,
had uitgevoerd. Dr Laane was niet alleen huisarts maar ook medisch
adviseur van de stichting Ombudsman en als anatoom verbonden aan de
Universiteit van Amsterdam, de gemeente waar hij tot 1983 ook beëdigd
lijkschouwer was geweest. Laane deed wat schijnbaar justitie en ook
rechtbank en Hof nog niet hadden gedaan (tenminste, er was geen proces-verbaal
van) : hij analyseerde in zijn laboratorium aan de universiteit de
bewuste rum waarvan een deel nog in de fles aanwezig was en die na
de zitting van de Rechtbank was vrijgegeven (en bij de rij-instructeur
thuis was beland). Het alcoholpercentage bleek 43% te zijn in plaats
van de eerder genoemde 95%. Bovendien bleek de bewuste witte wijn
van het merk Klausthaler geen 11% alcohol te bevatten, zoals verondersteld,
maar 9,5.
Verder rekende dr. Laane terug aan de hand van alle gegevens, waaronder
het tijdstip van overlijden en het lichaamsgewicht van de overledene,
wat haar alcoholconsumptie geweest moet zijn. Zijn berekening wees
uit dat het in het sectie-rapport genoemde alcoholpromillage van niet
meer dan 1,76 in het bloed van de overledene overeenkwam met de door
Van Leeuwerden opgegeven anderhalf tot twee flessen witte wijn en
de genoemde hoeveelheid Spa met gin. Als mevrouw ook nog rum van 43%
had gedronken, laat staan die van 95%, dan had alcoholpromillage in
haar bloed aanzienlijk hoger moeten uitvallen.
De mogelijkheid dat van Leeuwerden meer medicijnen had toegediend
dan de artsen hadden voorgeschreven bleek eveneens onjuist, omdat
via het Gerechtelijk Laboratorium was vastgesteld dat deze geneesmiddelen
in normale concentraties in het bloed aanwezig waren.
Verder was de verdediging op een ernstige fout in het rapport gestoten:
een medicijnenverwisseling. Dr. Zeldenrust schreef : “Van de
combinatie Atosil (bevattende chloorpromazine) en alcohol is algemeen
bekend dat deze fatale gevolgen kan hebben.” Dat klopte niet.
De arts verwarde promethazine, een hoestdrankbestanddel, met chloorpromazine,
een middel voor psychotische patiënten. Het eerst genoemde middel,
waar het in feite om ging, is in de medische wetenschap nog nooit
als schadelijk in combinatie met alcohol aangemerkt. Zeker met deze
laatste, tamelijk ernstige, fout leek de raadsman nu toch wel aangetoond
te hebben dat van een onnatuurlijke dood niet meer gesproken kon worden.
Het gerechtshof schoof dit alles terzijde. Het bleef vasthouden aan
de verklaringen van de kroongetuigen, en aan de rum als moordwapen.
Het hof beschouwde de combinatie alcohol/medicijnen samen met het
niet inroepen van een arts als moord. Dat de verdediging had aangevoerd
dat dit niet de doodsoorzaak kon zijn ging het Hof niet op in.
Tot zijn grote schrik werd Dick van Leeuwerden op 13 mei 1985 veroordeeld
tot twaalf jaar gevangenisstraf.