Voorgeschiedenis
Een
rechtspsychologische inleiding
Een
belangrijk deel van de juridische wetenschap is de rechtspsychologie.
Vanouds hebben psychologen zich beziggehouden met een belangrijk onderdeel
van het strafrecht: gebruik (en misbruik) van getuigenverklaringen.
Als getuigen een signalement van een verdachte geven, hoe betrouwbaar
is dat dan? Als de politie een getuigenverhoor afneemt, welke methode
is dan toelaatbaar? En als een verdachte bekent, heeft hij het dan
ook werkelijk gedaan (niet altijd)? De vraag waarom iemand iets bekent
wat hij niet gedaan heeft is een psychologische.
Ook naar het gedrag van mensen die een strafmaat moeten bepalen (leden
van een jury, rechters) is veel onderzoek gedaan. Immers, zij zijn
ook mensen en hebben als zodanig last van onbewuste voorkeuren, tunnelvisie
en vooroordeel.
Spinoza zei als eerste: de mens gelooft wat hij leest.
Minder dan hijzelf zou willen, is de mens in staat om neutraal te
lezen en een onbevooroordeeld eindoordeel te vormen.
Een van de onderzoekers op dit terrein is de sociaal psycholoog Daniel
Gilbert van de universiteit van Texas. Gilbert liet proefpersonen
een strafmaat bepalen op basis van een een politiedossier waar zogenaamd
per ongeluk zinnen uit een ander dossier in terecht waren gekomen.
Deze verdwaalde zinnen waren in het rood gedrukt zodat men kon zien
dat ze er niet in thuis hoorden. Tijdens het lezen moesten de proefpersonen
een of ander aandacht-afleidend, flauw werkje met blauwe getallen
doen. Volgens de theorie van Spinoza zouden ze dan onvoldoende gelegenheid
hebben de rode tekst actief te verwerpen en zelfs teksten voor waar
aannemen, waarvan verteld was dat het ze niet bij hoorden.
Het resultaat: proefpersonen die de ‘verrijkte’ teksten
onder ogen hadden gehad, met de extra beschuldigingen erin, gaven
bijna twee maal zo hoge gevangenisstraffen: geen zes maar elf jaar.
Dit ondanks het feit dat de proefpersonen wisten dat de teksten uit
een ander dossier (van andere verdachten) kwamen.
Dit
illustreert de onderliggende complicaties die spelen bij het vaststellen
van strafbaarheid en strafmaat. Suggestie en vooroordeel speelt bij
elke fase van zo’n onderzoek, ook bij het opbouwen van een dossier.
Soms gaat er wel eens wat fout. Een verklaring van een getuige-deskundige
wordt verkeerd begrepen en overgenomen. Getuigen kunnen labiel zijn
of een bepaald eigen belang hebben. En soms, heel soms, gebeuren al
deze dingen tegelijk.
Wat
vooraf ging
Dick van Leeuwerden werd geboren op 27 februari 1944 in Amsterdam.
Hij was een rustige, hulpvaardige man. Karaktereigenschappen die wel
pasten bij zijn vak. Hij was verzorger en butler in Amsterdam-Zuid.
Deze buurt rondom de Beethovenstraat was een wereld op zich: de dure
modezaken, delicatessenwinkels en kapsalons hadden zich gevormd rond
de specifieke kring van bewoners. Men kende elkaar. Het was dan ook
niet zomaar dat een van die bewoners Dick vroeg om bij haar te komen
werken. Mevrouw Brouwers-van Wylick had gehoord van de goede ervaringen
van zijn vorige werkgevers. Haar partner, met wie ze bijna tien jaar
samen was, was ziek en had steeds meer hulp en verzorging nodig. Zo
kwam het dat Dick van Leeuwerden in dienst kwam. Uiteindelijk was
verzorging thuis niet meer mogelijk. Zijn taak leek er op te zitten,
maar mevrouw Van Wylick vroeg hem om te blijven. Ze was gewend geraakt
zijn hulp en voortdurende attentie. Ze was zeker niet makkelijk, maar
Dick leek daar goed mee om te kunnen gaan. Hij had het geduld om haar
grillen te accepteren en de zorgzaamheid om daar af en toe tegenin
te gaan. Dit laatste was iets wat ze zeker niet gewend was, gezien
haar dominante persoonlijkheid. Sinds Dicks aanwezigheid was ze rustiger
en vriendelijker. Bovendien dronk ze minder. Ook de valpartijen met
gebroken ledematen als gevolg deden zich niet meer voor. Mede gezien
haar leeftijd was het nauwelijks mogelijk te stoppen met drinken.
Dick stelde echter wel een maximum; als hij wegging zette hij stiekem
een streepje op de drankfles om te controleren of ze zichzelf niet
extra inschonk. Hij voelde haar aan; met niemand kon ze zo goed opschieten
als met hem. De relatie met haar kinderen was slecht. Ze wilde ook
niet alleen te zijn en daarom was deze situatie voor haar ideaal.
Dick zelf beschreef later hun verstandhouding alsof het leek dat ze
hartsvriendinnen waren: ze bespraken jurken, kleding, schoenen, makeup,
parfum enzovoorts. Ze waren ook veel samen. Zeker nadat mevrouw Van
Wylick een keer gevallen was toen Dick al vertrokken was, wilde ze
dat hij bleef totdat zij naar bed ging.
Ze bleef echter, ondanks al zijn tegenwerpingen, bang dat “haar”
Dick eens weg zou gaan. Daarbij wilde ze hem goed verzorgd achterlaten
als ze zou overlijden. Ze besprak dit met haar zus uit Amerika toen
die eind augustus 1983 op bezoek kwam. Die suggereerde een verstandshuwelijk.
Op die manier was ze zeker van de zorg van Dick en hij zou te zijner
tijd aanzienlijk minder successierechten hoeven te betalen.
“Ik heb besloten jou te vragen of jij met me wilt trouwen”,
zei ze tegen Dick. Weliswaar had ze het geformuleerd in een vraagvorm
maar van een weigering wilde ze weinig weten. Dick vond het in eerste
instantie een vreemd idee. Ze bleek er echter goed over nagedacht
te hebben en ze legde uit dat een huwelijk voor beiden een handige
constructie zou zijn. Uiteindelijk zag hij geen bezwaar en stemde
toe. Onmiddellijk na zijn antwoord schreef ze een briefje voor het
bevolkingsregister. Op papier liet ze zichzelf verhuizen naar haar
rij-instructeur in Vinkeveen. Op die manier zouden de kinderen niets
ontdekken aangezien in die tijd huwelijksvoltrekkingen in de gemeente
aangeplakt moesten worden. Ze wist namelijk dat de kinderen het er
niet mee eens zouden zijn en verwachtte dat ze zouden proberen het
huwelijk te verhinderen als ze op de hoogte zouden zijn.
Op 29 september 1983 traden mevrouw Brouwers-Van Wylick en Dick van
Leeuwerden in het huwelijk. Haar rij-instructeur en zijn vriendin
traden op als getuige. Min of meer als huwelijksreis gingen ze naar
Bad-Neuerahr, een Duits kuuroord, dat mevrouw van vroeger kende. Daar
wilde ze bovendien een gezondheidsverklaring krijgen om haar dochter
ervan te overtuigen dat ze nog in staat was om een auto te besturen.
Terug in Amsterdam liet ze haar advocaat, mr De Wolf, een verklaring
opstellen dat het huwelijk gebaseerd was “wederzijdse liefde
en respect” en dat haar echtgenoot “op zich had genomen
haar te begeleiden en te verzorgen, zoals hij voordien ook al deed.”
Uit deze ongewone en opmerkelijke stap bleek wel dat mevrouw Van Wylick
voorzag dat de kinderen het huwelijk, en met name de vermogensrechtelijke
aspecten, zouden aanvechten.
Er staat letterlijk:
‘Uit de bewuste telefoongesprekken (tussen Dick, de zuster
en de dochter, red.) leid ik af dat mijn familieleden, die overigens
met het omschreven huwelijk niet op de hoogte zijn, waar mogelijk
zullen proberen te trachten de positie van mijn echtgenoot aan te
tasten, ook waar het betreft het vermogensrechtelijke aspect ervan’.
Vrijdag
4 november 1983 was de dag dat alles veranderde. Niemand kon voorzien
hoe één dag onderwerp zou worden van een zo lange, nog
steeds voortslepende juridische strijd. De dag begon als alle andere.
Om acht uur bracht Dick de koffie en de krant. De werkster kwam later
die ochtend en Dick deed in die tussentijd de boodschappen. Mevrouw
van Wylick liet een uur of twaalf thuis haar nagels doen door een
manicure. Vervolgens zette Dick haar af bij het Hilton voor de thee
en liet de auto wassen. Aan het eind van de middag ging het paar weer
naar haar huis. Dan begon haar drankritueel. Mevrouw dronk wijn vanaf
’s middags vanaf vier uur totdat ze rondom tien uur naar bed
ging, zo’n één à twee flessen totaal. ’s
Avonds kwam er ook nog een “slok” bij, zo noemde ze haar
eigen drankje; spa met een scheut gin. Rond zeven uur aten beiden
die avond een kop soep. Tijdens de soep dronk mevrouw haar glas wijn
leeg en ging daarna naar bed. Hoewel de bevriende rij-instructeur
langs zou komen, ging ze toch liever slapen. Ze nam haar gebruikelijke
medicijnen in: een slaap-, een bloeddruk- en een kalktablet. De rij-instructeur
kwam rond achten. Zijn dienst zat erop en, zoals hij wel vaker deed,
hij kwam langs voor een praatje en een drankje. Samen met Dick keek
hij televisie en dronken ze wat. De rij-instructeur had intussen zijn
vriendin gebeld om te zeggen dat hij wat later thuis zou komen. Als
smoes zei hij dat mevrouw Van Wylick zich een beetje ziek voelde.
In werkelijkheid was er niets aan de hand.
Van Leeuwerden stopte haar in en ging terug naar de woonkamer. Ze
belde die avond een aantal keer met de bel naast haar bed, ze kon
namelijk niet slapen. De rij-instructeur vond al dat aandacht-vragen
overdreven, maar het was nou eenmaal het werk van Dick. Tegen de rij-instructeur
zei hij nog dat hij het bloeddruk-toneelstukje had opgevoerd. In feite
stelde dat niets voor, Dick was immers geen verpleger. Hij deed alsof
hij haar bloeddruk opnam. Het was een soort ritueel waarbij hij nadeed
wat hij de dokter zo vaak had zien doen. Het resultaat was altijd
hetzelfde: “mevrouw, uw bloeddruk is net als de laatste keer
bij de dokter”. Ze wist dit zelf natuurlijk ook wel maar wilde
aandacht. Niet lang na tien uur belde ze weer en vroeg om haar “slok”,
een glas spa met een scheut rum. Dick wilde het haar eigenlijk niet
geven maar ze hield vol en kreeg zoals meestal haar zin.
Hij kwam terug in de kamer in, en zag voor het eerst die avond dat
meer aan de hand was dan de normale effecten van twee flessen wijn.
Hij veegde haar transpiratie af, en terwijl hij haar vast had, voelde
hij haar wegzakken. Ze blies haar laatste adem uit en was overleden.
De rij-instructeur verscheen in de deuropening en zag daar Dick met
zijn echtgenote in z’n armen. Dick zei tegen hem “Ik denk
dat het nu afgelopen is.”
De versie van politie en justitie was later geheel anders. Dick zou een
gevaarlijk hoge bloeddruk gemeten hebben, en tegen de anderen hebben
gezegd hebben dat het ‘een aflopende zaak’ was. Vervolgens
zou hij (inplaats van de dokter te roepen) haar de gevraagde “slok”
gegeven hebben, maar nu met Surinaamse 90%-rum . Mevrouw zou na het
drinken binnen enige minuten zijn overleden.
In werkelijkheid was er voor Dick geen reden een arts te roepen. In
het verleden had hij wel vaker de huisarts gebeld als mevrouw zich
niet helemaal lekker voelde en steeds kreeg hij te horen dat ze haar
roes moest uitslapen in plaats van de dokter te laten komen. Ze was
immers verder niet ziek. Op het moment dat Dick op de bewuste avond
zag dat er méér aan de hand was, was het al te laat.
Ooit had mevrouw Van Wylick tegen Dick gezegd dat als er iets zou
gebeuren, hij eerst haar advocaat moest bellen en niet haar kinderen.
Niet alleen vanwege de slechte relatie tussen moeder en kinderen maar
ook omdat zij immers niet op de hoogte waren zouden zijn van het huwelijk.
Dick kreeg de advocaat, mr. de Wolff, meteen aan de telefoon en hij
raadde Dick aan toch de zoon en de dochter te lichten en wel gelijk
de volgende ochtend.
Vervolgens belde Dick de huisarts, waar een antwoordapparaat naar
een vervanger verwees. Deze was een kwartier later ter plaatse en
stelde de dood vast, waarschijnlijk een hartinfarct. Na afloop van
de formaliteiten bood de rij-instructeur Dick aan om de nacht bij
hem en zijn vriendin door te brengen.
Terwijl de rij-instructeur zijn vriendin op de hoogte stelde, ging
Dick door met zijn dagelijkse taken. Hij waste de glazen af en deed
de lege flessen in een plastic zak om ze onderweg in de glasbak te
deponeren (niet de glasbak in de eigen straat). Hij wist dat mevrouw
van Wylick niet wilde dat anderen konden zien hoeveel zij dronk. Deze
op zich onschuldige handelingen zouden later echter in het nadeel
van Van Leeuwerden worden uitgelegd.
Zeker het feit dat beiden op de weg naar Vinkeveen nog bij een café
zijn gestopt, kan op meerdere manieren worden uitgelegd. Was het om
alles even te laten bezinken of om iets te vieren, zoals de politie
beweerde? De rij-instructeur zei hier later over: “Het was mijn
idee om daar even te bekomen van de schrik. Dick voelde er niets voor,
maar hij had weinig keus. Hij zat bij mij in de auto en ik ging daarheen.”
De volgende ochtend, op een zaterdag, was Van Leeuwerden weer vroeg
bij de woning om de uitvaart te regelen en de zus en kinderen van
mevrouw op de hoogte te stellen. Om negen uur kwam de dochter langs.
Dick vertelde haar wat er gebeurd was die nacht ervoor en dat hij
met haar getrouwd was. Hij vertelde erbij dat het de uitdrukkelijke
wens haar moeder was om het geheim te houden. Na een lange stilte
zei ze dat het ‘haar eigenlijk niet verbaasde’.
Die dag belde de dochter haar broer, die op dat moment in Ankara als
diplomaat werkzaam was. Dezelfde dag besloten ze in onderling overleg
om een advocaat in de arm te nemen (voor civielrechtelijk advies);
de zoon zou onmiddellijk naar Amsterdam komen. De dochter belde ook
de waarnemend huisarts die de dood had vastgesteld en vertelde hem
over het geheim gehouden huwelijk en dat ze het een verdachte zaak
vond. Daarop belde de arts de recherche met het verzoek om een onderzoek
door de politie en de gemeentelijke schouwarts.
Het
opsporingsonderzoek
Het
telefoongesprek van de dochter had effect gehad, want in het procesverbaal
valt te lezen: “De waarnemend huisarts (….) wilde in eerste
instantie een verklaring van natuurlijke dood afgeven, doch kwam hier
naderhand op terug en waarschuwde de recherche.”
Voordat de eigen huisarts en gemeentelijke schouwarts zelfstandig
hun mening hadden kunnen vormen, belde de vervangende huisarts ook
hen met de door dochter Van Wylick geuite verdenkingen. In zijn verklaring
deed hij ook een andere waarneming: “Ik heb aldaar de indruk
gekregen dat de beide personen homofiel waren.” Niet duidelijk
is waarom deze opmerking is opgenomen. De indruk was trouwens gedeeltelijk
onjuist: de rij-instructeur was ‘gewoon’ hetero.
Men zou op deze zondagmiddag het begin van het drama kunnen situeren,
en wel bij een telefoontje dat op deze middag binnenkwam bij de wachtcommandant
van de recherche van het hoofdbureau van politie in Amsterdam. Hij
zette rechercheurs aan het werk, naar aanleiding van een tipgever
naar wiens identiteit alleen maar is te gissen.
De tip betreft een veronderstelde relatie van deze zaak met een andere
zaak, de zaak-Dribbel. Deze informatie was blijkbaar zo belangrijk,
dat men een opmerkelijke wijze van registreren koos: aan het dossier
van Dick werd een pagina nul toegevoegd, nog vóór de
‘normale’ eerste, als nummer 1 genummerde, pagina. Uit
de inhoud blijkt duidelijk waarom.
Er staat:
“In december 1978 is op Las Palmas overleden, Sophia Emma Dribbel,
geboren te Amsterdam op 7 september 1891. In haar onmiddellijke omgeving
verbleven: Dick van Leeuwerden, als verpleger, en [..] S. als chauffeur.
Later bleek dat Dribbel gehuwd was met S. Uit onderzoek is gebleken
dat zowel Van Leeuwerden als S. homofiel zijn. Verder bleek dat Dribbel
ziek was en dat het volgens artsen zeer onverstandig was om te gan
reizen en helemaal om naar een warm land te gaan. Vermeld dient te
worden dat Dribbel zeer vermogend was.”
Vervolgens (pagina 1) wordt het gebeurde rond mevrouw Van Wylick op
de normale manier beschreven.
Het verband lijkt duidelijk. Beide verdachten waren homofiel en getrouwd
met een oudere dame. Bovendien kenden ze elkaar. De politie noemde
het in de verhoren “homomaffia”. Hetzelfde proces-verbaal
vermeldt niet dat er (na twee lijkschouwingen en een verhoor van S.)
geconcludeerd werd dat er van een misdrijf geen sprake was. Mevrouw
Dribbel bleek namelijk overleden aan een hartinfarct. Voorts was de
reis naar Spanje (in tegenstelling tot wat het proces-verbaal vermeldt)
wel degelijk op doktersadvies. Deze details zijn waarschijnlijk niet
bekeken omdat ze formeel niet van belang waren voor dit onderzoek.
De zaak-Dribbel komt in de stukken (of in de vonnissen) verder nauwelijks
voor, maar is in de verhoren van Dick en de kroongetuigen uitvoerig
aangehaald. Anders dan de suggestie, kenden S. en Dick elkaar wel,
maar als collega’s; zij hadden vrijwel geen privé-omgang.
De zaak Dribbel is indertijd uitvoerig onderzocht en geseponeerd,
omdat er geen strafbare feiten werden vastgesteld.
Maar wie was nu de geheimzinnige tipgever? En waarom was de tipgever
anoniem? Er waren niet veel mensen die dit verband zouden kunnen leggen
(de zaak-Dribbel was ongeveer vijf jaar geleden). Feit was dat het
advocatenkantoor dat de familie in de arm had genomen, ook het kantoor
was indertijd de nabestaanden van mevrouw Dribbel bijstond.
De politie begon met het verzamelen van materiaal voor een strafklacht.
Het stoffelijk overschot van mevrouw Van Wylick werd in beslag genomen,
haar huis verzegeld en er werden telefoons afgeluisterd. Zelfs Dicks
advocaat werd afgeluisterd, privé en zakelijk, hetgeen niet
toegestaan is (de relatie tussen cli?nt en advocaat is vertrouwelijk).
De druk werd opgevoerd voor Van Leeuwerden, zijn vriend, de rij-instructeur
en zijn vrouw. Zo mocht Dick alleen onder politie-begeleiding naar
het uitvaartcentrum. Ze vroegen zich af wat er aan de hand was en
belden die dagen heel wat af over de buiten hun medeweten afgeluisterde
telefoons. Uit de enorme uitgetikte stapel gesprekken valt niets belastends
op te maken. Dat zou later in de verhoren anders worden.
Op 21 november arresteerde de politie Van Leeuwerden op verdenking
van moord. De rij-instructeur en zijn vriendin werden eveneens als
medeverdachten aangehouden. De eerste verhoordag duurde tot kwart
voor elf ’s avonds. Ieder van het drietal zegt nog steeds, twintig
jaar later, last te hebben van deze ervaring. Het echtpaar was met
veel vertoon van hun bed gelicht en had geen gelegenheid gekregen
om opvang voor hun kinderen te regelen.
Het feit dat de vrouw pas een baby had gekregen werd door de rechercheurs
handig gebruikt: “Ik kon maar beter meewerken anders zou ik
m’n kinderen niet meer zien. Ook suggereerden ze me dat het
niet goed ging met de baby. ‘Je jongste is ziek. Hij mist je
al’ zeiden ze tegen me.”
Zij was dan ook de eerste die de druk niet aankon. ”Ze bedreigden
me en intimideerden me. Ik heb toen maar wat gezegd. Ik weet niet
eens meer wat, maar ze hebben zo op me ingepraat en Dick zo afgeschilderd
als een doortrapte moordenaar die ons er in had geluisd, dat ik het
zelf ben gaan geloven.”
De rij-instructeur werd vervolgens geconfronteerd met een nogal vrije
vertaling van wat zijn vriendin gezegd zou hebben. Zo had hij, samen
met Dick en zijn vriendin, inderdaad gesproken over het vermoorden
van mevrouw, maar heel anders dan de recherche het opgeschreven had,
en vooral op een heel ander moment, namelijk in de dagen ná
de dood van mevrouw Van Wylick, en beslist niet vóór
haar overlijden, zoals de recherche beweerde.
Het gesprek was niet gegaan over een moord gepleegd zou kunnen worden,
maar hoe belachelijk de opmerkingen van de recherche waren. Er werd
opgemerkt dat ‘als we haar dan toch hadden willen vermoorden,
dan hadden we toch gewoon de badkamervloer met groene zeep kunnen
insmeren.’
De recherche plaatste deze opmerking tijdens de verhoren opeens terug
in de tijd (vóór het overlijden van mevrouw), zodat
het leek alsof het om serieuze moord-plannen ging. De rechercheurs
hadden blijkbaar niet gezien dat in de badkamer hoogpolig tapijt lag,
wat het “plan” met de groene zeep nou niet bepaald realistisch
maakte.
De rij-instructeur heeft tien jaar na dato hierover gezegd: “Er
is nooit en te nimmer ook maar één woord gevallen over
hoe die vrouw dood moest. Dat kwam van de politie zelf. Die woorden
werden je in de mond gelegd, terwijl ik donders goed wist dat het
niet waar was.”
Dick heeft nog steeds nachtmerries van die verhoren, die hij nog erger
vond dan zijn tijd in de gevangenis. “Er kwam opeens een andere
rechercheur binnen met zijn hand in het verband. Hij vertelde, terwijl
hij naar zijn hand wees, dat hij net iemand anders een paar klappen
had gegeven en nu was ik aan de beurt.”
In de drie dagen dat de verhoren duren, worden de verklaringen steeds
belastender. De verhalen lopen echter ook steeds meer uiteen en zijn
op veel punten duidelijk weerlegbaar. Uiteindelijk krijgen de rechercheurs
bij de rij-instructeur de verklaring ‘los’ dat hij zou
meeprofiteren van de erfenis: een medeplichtige is geboren.
Nu de recherche meende motief en medeplichtigen gevonden te hebben,
moest alleen de onnatuurlijke dood nog aangetoond worden. Dit was
een probleem want het definitieve sectierapport was nog niet ontvangen.
Toen dit eind november verscheen wees de uitslag in de richting van
een “acute hartdood” die waarschijnlijk veroorzaakt was
door “een hartonregelmatigheid”. De ‘mogelijkheid
werd opengelaten’ dat de oorzaak een vergiftiging door alcohol
en medicijnen was. Maar wilde de recherche de verdenking van moord
aannemelijk maken, dan waren de voorliggende feiten niet genoeg. Dick
moest iets gedaan hebben, en zijn handelingen zouden moeten aansluiten
op de ‘mogelijkheid’ van een alcohol-medicijnenvergiftiging.
Men zou bijvoorbeeld moeten aantonen dat Dick inderdaad met voorbedachte
rade alcohol en medicijnen zou hebben toegediend. Het sectie-rapport
wees zeker niet in die richting. De toxicoloog stelde dat in het bloed
geen hogere concentraties geneesmiddelen te vinden waren dan te verwachten
was op grond van wat de artsen haar hadden voorgeschreven. Haar specialist
was bovendien op de hoogte van haar alcoholgebruik.
Echter, in de driedaagse verhoorsessies zou de alcohol een belangrijke
rol krijgen, net zo belangrijk als hij in het leven van mevrouw van
Wylick was geweest.
In een van haar verklaringen vertelde de vriendin van de rij-instructeur
dat ze drie maanden voor het overlijden voor Dick rum uit Suriname
had meegenomen. Een deel van deze fles rum had ze in een flesje overgeschonken
en aan Dick gegeven, om zijn favoriete drankje, cola-tik, van te mixen.
De rechercheurs zagen hier een aanknopingspunt: terwijl de vrouw zei
“ik weet niet wat het percentage was”, en “het zou
35% maar ook 95% kunnen zijn”, belandde het laatste percentage
als hard feit in het proces-verbaal. Toen de rij-instructeur met dit
“moordwapen” geconfronteerd werd, vertelde hij dat Van
Leeuwerden “een scheut uit de fles van 95% door de soep bij
het avondeten heeft gedaan”. Waarbij wordt vergeten dat hij
pas na het avondeten was langsgekomen en dat dus onmogelijk gezien
zou kunnen hebben. In zijn oorspronkelijke verklaring zei hij ook
dat in plaats van haar “slok”, Dick haar een cocktail
te drinken had gegeven van witte wijn, gin en de rum van 95%, hoewel
hij eerder verklaarde dat hij televisie had zitten kijken en dus met
zijn rug naar Van Leeuwerden toe had gezeten toen deze inschonk. In
een later interview zegt hij hierover: “Ik heb Dick die avond
inderdaad geen rum zien inschenken. Ik heb in dat huis helemaal geen
rum gezien.” De rij-instructeur weet dan nog niet dat de fles
met rum uit Suriname in beslag is genomen. Geheel tegen alle regels
in, is het alcoholpercentage van deze rum niet bepaald, althans er
is geen proces-verbaal van. Dit is opvallend, daar er van de in het
vonnis genoemde 95%-rum ook geen alcoholbepaling is. Volgens de stukken
zijn er dus twee soorten rum geweest: de ongetest, werkelijke rum
van 43% en de 95% rum, waarvan het fysieke bestaan nooit is aangetoond.
Beide medeverdachten gaan met name op de laatste van de drie dagen
totaal overstag, en zoals het door de recherche op papier gezet is,
is het een klassiek geval van moord met voorbedachte rade.
De man: ‘Ik kan wel zeggen dat er iedere keer over haar dood
werd gesproken...[ ]. Dick had het er onder andere over dat zij kwam
te vallen in de badcel terwijl hij er niet was en doodbloedde. Ook
is er wel over gesproken om het bad vol te laten lopen met water,
zodat het een verdrinkingsdood leek.’
Dick zou gezegd hebben: ‘Ik heb zojuist haar bloeddruk opgenomen
en die was abnormaal hoog. ik denk dat het een aflopende zaak is.
De man: ‘Nadat hij weer naar de slaapkamer van Brouwers geweest
is zei hij woordelijk: ‘Ik zal haar nog een flinke slok geven’.
Ik zag toen dat hij gin, wijn en een scheut van een uit Suriname afkomstige
drank met een alcoholpercentage van 95 in een glas deed.’
De vrouw bevestigt deze uitspraken, en sterker nog: ‘Dick vertelde
ons dat hij Brouwers alleen voor het geld zou trouwen. Altijd sprak
hij dan weer over het feit dat Brouwers zo lastig was en dood moest.
Ook toen Dick in Bad Neuenahr was belde hij dagelijks. Hij vertelde
dat hij hoopte dat Brouwers daar zou overlijden [....] spraken Dick
en [de man] voortdurend over de dood van Brouwers, vooral Dick.’
De andere zaak-Dribbel komt hier terug: ‘Dick zei daarover:
wat hij kon, kan ik ook.’
Ook Dick bezwijkt in zekere zin onder de druk. Hij tekent het proces-verbaal,
met daarin teksten die hij naar eigen zeggen zeker niet gezegd heeft.
Volgens de recherche geeft Dick toe dat er een zekere tijd zat tussen
het eerste moment waarop hij zag dat het niet goed met mevrouw ging,
en haar uiteindelijke overlijden. Hij zou in die tijd medische hulp
hebben kunnen inroepen.
Volgens Dick heeft hij inderdaad getekend, maar was door uitputting,
maar ook doordat men hem zijn bril niet wilde brengen, niet meer tot
iets anders in staat.
Uit de beschrijvingen van alle drie komen er verhoormethode naar voren,
die later als ‘de Zaanse verhoormethode’ als niet acceptabel
is afgewezen.
Meteen na de verhoren kwam de rij-instructeur bij de rechter-commissaris
al terug op zijn uitspraken. Over zijn uitspraak dat hij een deel
van de erfenis zou krijgen noemde hij zelfs een “giller”.
Deze intrekking en ontkenningen zouden echter in de volgende procedures
zouden niet meer baten; er werd vastgehouden aan wat hij bij de recherche
verklaard had. Ook de vriendin gaf bij meerdere gelegenheden te kennen
dat ze haar verklaringen zou intrekken.
Medische beschuldigingen
Waren de verklaringen van de kroongetuigen nog niet dramatisch genoeg,
het tweede deel van de aanklacht deed er nog een schepje bovenop.
Naast de alcohol-medicijnencombinatie bleek mevrouw nog aan vier andere
aandoeningen te lijden, die bij Dick bekend zouden zijn en op grond
waarvan hij medische hulp had moeten inroepen. Ziet men de opsomming,
dan is die inderdaad indrukwekkend.
Dick zou haar alcohol gegeven hebben, en geen dokter gebeld hebben,
terwijl hij wist:
a) ‘dat zij onder meer Atosil (waarvan (algemeen) bekend is
dat dit middel in combinatie met alcohol fatale (dodelijke) gevolgen
kan hebben [..];
b) ‘dat zij aan hartinsufficiëntie, althans aan enige hartkwaal
leed’;
c) ‘dat zij aan bronchitis en/of (sterke) ademnood leed’;
d) ‘dat zij uiterlijke tekenen van lichamelijk onwel bevinden
en/of machteloosheid (zweten/pijn in haar benen/versufte blik) vertoonde’;
e) ‘dat haar bloeddruk was opgelopen tot een abnormale en/of
alarmerende hoogte (boven de 200 bovendruk)’.
Volgens de verdediging is dit geheel een sterk staaltje van leugenachtige
overdrijving, geheel gericht op effectbejag. Punt a en b zijn geheel
onjuist; punt c refereert aan een bronchitis waar mevrouw inmiddels
van was genezen, punt d is een suggestief mengsel van symptomen die
mevrouw af en toe vertoonde, samen met symptomen die iedereen heeft
die twee flessen wijn gedronken heeft, en bij punt e is het nepritueel
rond de bloeddrukmeting ongemotiveerd opgewaardeerd tot een serieuze
medische constatering.
Bovendien is alleen het eerste punt (hoewel onjuist) afkomstig van
een medicus: de andere punten zijn geheel zonder toetsing van de medische
plausibiliteit opgeschreven en als de waarheid gepresenteerd
Achteraf gezien heeft de verdediging waarschijnlijk onderschat hoe
sterk de suggestieve dimensie van het verzamelde materiaal was: de
op zich bijzondere situatie van een een homo die vanwege de erfenis
met een oude vrouw trouwt; kroongetuigen die ogenschijnlijk een consistent
verhaal (motief, voorbedachte rade) vertellen, gecombineerd met medici
die een passende doodsoorzaak bevestigen.
Precieze tekst van beschuldigingen en gedetailleerde weerlegging
Tot nu toe is het verloop van de gebeurtenissen sequentiëel
beschreven.
Voor diegenen die gedetailleerd inzicht willen in de precieze bewijsmiddelen
en de visie van de verdediging daarop, worden in dit hoofdstuk die
bewijsmiddelen en detail becommentarieerd.
Als uitgangspunt wordt daarbij het vonnis van het Hof genomen, dat
elders op deze site in zijn geheel opgenomen is. Hier worden alleen
delen van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen besproken.
Kijken we naar de gehanteerde bewijsmiddelen (dat wat het Hof dus
beschouwd als datgene wat er feitelijk gebeurd is) dan heeft Dick
de verwaarlozing min of meer zelf toegegeven (hetgeen hij ten stelligste
ontkent). Uiteraard ontkent Dick ook dat het ooit zo gebeurd is. Wel
erkent Dick hij wel dat hij het proces-verbaal heeft ondertekend,
hoewel hij het niet kon lezen, omdat men zijn leesbril niet wou brengen.
Onder bewijsmiddel 1 staat dat Dick toegegeven zou hebben dat het
hem ‘bekend [was] dat zij medicijnen gebruikte die in combinatie
met alcohol een nadelige werking konden hebben’ In werkelijkheid
heeft Dick gezegd dat hij weet dat er in zijn algemeenheid medicijnen
zijn die in combinatie met alcohol gevaarlijk kunnen zijn. Alle medicijnen
die mevrouw gekregen had (en de dosering) waren door haar specialist
voorgeschreven, rekening houdend met haar alcoholgebruik. Sterker
nog, geen van de voorgeschreven medicijnen combineerde slecht met
alcohol.
Over de het vermogen van mevrouw zou Dick gezegd hebben: ‘Ik
had ondekt dat zij over een aanzienlijk vermogen beschikte’.
Dit is een verzinsel van de politie. Natuurlijk wist Dick toen hij
bij mevrouw van Wylick kwam dat zij vermogend was; hoe zou zij anders
een butler kunnen betalen? De oorsprong van dit verhaal is een (op
zich niet erg fraaie) aktie van de rij-instructeur en Dick: men had
eens in de slaapkamerkast van mevrouw (waar zij haar waardepapieren
bewaarde) zitten neuzen. Daarvan maakte de politie een ‘ontdekking’
(immers veel suggestiever).
Verderop: ‘Op een gegeven moment heb ik, zoals ik vaker deed,
met een daarvoor bestemd toestel haar bloeddruk gemeten’.
Bewijsmiddel 2 vervolgt: ‘Het is waar dat ik op de avond van
het overlijden van mevrouw Brouwers haar bloeddruk heb opgemeten.
[..] Deze was ontstellend hoog, te weten boven de 220 bovendruk.’
Volgens Dick wordt hier de fantasie-bloeddrukmeting tot serieuze handeling
opgewaardeerd, en is de 220-waarde (die Dick nooit werkelijk genoemd
hetzij gemeten heeft) uit de (later ingetrokken) verklaringen van
de vriendin gehaald.
De fantasiemeting heeft op de bewuste avond [op zich wel] plaatsgehad.
‘Na het meten heb ik haar een mengsel met daarin gin te drinken
gegeven. Ik heb tegen [..] [de rij-instructeur] gezegd: “het
loopt af. Het gaat mis.”
‘[De vriendin] vroeg mij of het afgelopen was. Ik heb dat bevestigd.
Mevrouw Brouwers leefde op dat moment nog.’
Volgens Dick is dit uitdrukkelijk een door de recherche afgedwongen
verhaal van de vriendin en is er beslist geen sprake geweest van een
tijdsperiode tussen de constatering dat het niet goed ging en het
feitelijke overlijden; het gebeurde op hetzelfde moment. De opmerking
dat ‘het mis gaat’ is een verdraaing van de constatering
(na het overlijden) dat ze inderdaad overleden was (door de recherche
in de tijd naar voren geschoven).
Bewijsmiddel 4: ‘Het hartmiddel Inderal, waarvan dr. Laue de
dosering terugbracht van drie naar twee tabletten per dag, heeft zij
voortdurend ingenomen’. Hier wordt gesuggereerd dat er een hartmedicijn
gebruikt werd, en dat Dick dus wist dat mevrouw hartklachten had.
In werkelijkheid is Interdal een middel tegen hoge bloedruk, hetgeen
iets totaalanders is.
Bewijsmiddel 5 betreft de verklaring van de rij-instructeur. Hij
spreekt over de inhoud van de slaapkamerkast: ‘[..] hebben Dick
en ik op een dag een kast op haar slaapkamer doorzocht omdat wij vermoedden
dat er een hoop geld of een aantal spaarbrieven aan toonder of zoiets
dergelijks in zou liggen. Uit bankafschriften en andere papieren die
wij aantroffen bleek ons dat Brouwers een vermogen van f 1,8 miljoen
bezat’.
Hier komt de suggestie terug dat Dick niet wist dat mevrouw vermogend
was. Reeds besproken.
‘Enige tijd later spraken wij erover hoe we dat geld in handen
konden krijgen. Er werd het plan geopperd dat Dick met Brouwers zou
trouwen. Ik kwam met Dick overeen dat ik zou meeprofiteren van de
erfenis.’ Dit is beslist zo nooit gebeurd, en in zijn geheel
door de getuige ingetrokken bij de vierde herziening. Het huwelijk
was helemaal geen idee van Dick en de getuige, maar van de zuster
van mevrouw.
‘Na het huwelijk hebben wij thuis wel eens zitten praten over
het overlijden van Brouwers. Dick had het er onder andere over dat
zij kwam te vallen in de badcel terwijl hij er niet was en doodbloedde.
Ook is er wel over gesproken om het bad vol te laten lopen met water,
zodat het een verdrinkingsdood leek. Ik kan wel zeggen dat er iedere
keer over haar dood werd gesproken, ook bij het bezoek dat [..mijn
vriendin..] en ik aan Dick brachten toen hij in Bad Neuenahr verbleef.
Dick vertelde voortdurend dat het leven van Brouwers voor hem veel
te lang duurde.’
Dit is beslist zo nooit besproken en ook geheel ingetrokken door de
getuige.
Wel had hij ooit, samen met Dick en zijn vriendin, gesproken over
het vermoorden van mevrouw, maar heel anders dan de recherche het
opgeschreven had, en vooral op een heel ander moment, namelijk in
de dagen ná de dood van mevrouw Van Wylick, en beslist niet
vóór haar overlijden, zoals de recherche beweerde.
Het gesprek was niet gegaan over een moord gepleegd zou kunnen worden,
maar hoe belachelijk de opmerkingen van de recherche waren. Er werd
opgemerkt dat ‘als we haar dan toch hadden willen vermoorden,
dan hadden we toch gewoon de badkamervloer met groene zeep kunnen
insmeren.’
De recherche plaatste deze opmerking tijdens de verhoren opeens terug
in de tijd (vóór het overlijden van mevrouw), zodat
het leek alsof het om serieuze moord-plannen ging. De rechercheurs
hadden blijkbaar niet gezien dat in de badkamer hoogpolig tapijt lag,
wat het “plan” met de groene zeep nou niet bepaald realistisch
maakte.
‘Omstreeks 22.30 uur werd Dick door Brouwers geroepen. Toen
hij na[ar] ongeveer tien minuten terugkwam zei hij tegen wij: 'Ik
heb zojuist haar bloeddruk opgenomen en die is abnormaal hoog. Ik
denk dat het een aflopende zaak is'.
Dit is volgens Dick nooit zo gebeurd: hij heeft niet eerst de bloeddruk
gemeten en gezien dat het niet goed ging: dat heeft de recherche er
van gemaakt. Direkt nadat Dick zag dat ze niet goed was overleed ze,
zonder tussenperiode.
‘Nadat hij weer naar de slaapkamer van Brouwers was geweest
zei hij woordelijk: 'Ik zal haar nog een flinke slok geven.’
Ik zag toen dat hij gin, wijn en een scheut van een uit Suriname afkomstige
drank met een alcoholpercentage van 95 die hij een keer van Gerda
had gekregen in een glas deed. Toen hij met het glas naar de slaapkamer
liep ben ik hem achterna gegaan en bij de deur blijven staan kijken.
Ik zag dat Brouwers iets transpireerde en op de rand van het bed zat.
Dick zette het glas aan haar mond en ik zag dat Brouwers een flinke
slok nam. Ik ben weer naar de kamer gegaan. Na enkele minuten hoorde
ik dat Dick mij riep. Ik ben naar hem toegegaan. Hij zei: "Ik
denk dat het nu afgelopen is." Tussen het moment waarop hij een
hoge bloeddruk constateerde en het moment dat hij zei dat zij was
overleden heeft ongeveer drie kwartier gezeten.’
Deze versie in geheel door de getuige ingetrokken. Hij had helemaal
niet kunnen weten wat er in de drank zat, elders verklaart hij dat
hij met de rug naar Dick toe zat toen hij het drankje klaarmaakte.
Dick heeft haar wel een drankje gebracht (Spa met gin) maar daar heeft
ze niet van gedronken.
‘Nadat Brouwers was overleden heeft Dick het glas waaruit zij
had gedronken omgespoeld en schoongemaakt. Hij zei dat hij dat deed
omdat de dokter en de politie het glas met de drank die hij haar had
gegeven niet mochten aantreffen.’
Het schoonmaken klopte (Dick was butler en ruimde daarom de glazen
op), maar de daarop volgende opmerking van Dick is beslist een verzinsel
van de politie, en geheel ingetrokken door de getuige.
‘Later bij ons thuis heeft Dick verteld dat hij Brouwers die
avond soep heeft opgediend waarin hij een scheut alcohol gegooid had
van die fles van 95%.’
Dit is het beruchte alcohol-in-de-soep verhaal, dat door de politie
is verzonnen. Al was het waar geweest, dan nog was het van-horen-zeggen,
want de getuige was er zelf niet bij geweest; hij heeft het dan ook
volledig ingetrokken.
‘Deze fles alsmede diverse medicijnen die Dick in zijn koffer
had zitten heeft hij bij elkaar gezocht. Ik heb deze goederen, waarvan
Dick zei dat er door de politie en de dokter vragen over gesteld konden
worden, in Vinkeveen in een glasbak gedeponeerd.’
Dat Dick medicijnen in de glasbak zou hebben laten gooien, is aantoonbaar
onjuist. Alle medicijnen die voorgeschreven waren zijn aan de hand
van ophaaldatum en dosering nagerekend en er ontbrak niets. De opmerking
die Dick gemaakt zou hebben over ‘vragen’ is door de politie
verzonnen.
Wel juist is dat er flessen in de glasbak in Vinkeveen gegooid zijn;
mevrouw wilde niet dat men in haar eigen straat zou kunnen zien hoeveel
ze dronk. Deze onschuldige handeling is voortdurend anders uitgelegd.
In bewijsmiddel 6 komt de vriendin van de rij-instructeur aan het
woord. De meeste van haar verklaringen lopen gelijk op met die van de rij-instructeur.
Er zijn echter ook verschillen.
‘Toen Dick wist dat zij vermogend was heeft hij weleens gezegd,
dat hij met haar zou trouwen. Dick had eens bij een andere oudere
rijke dame gewerkt als verpleger, die met een jonge man, haar chauffeur
, was getrouwd. Die vrouw is kort na het huwelijk overleden. Dick
zei daarover: "Wat hij kon, kan ik ook".
Deze uitspraak van Dick is nooit gedaan en is ook door de getuige
ingetrokken. Ook heeft Dick nooit gezegd dat hij ‘haar zou trouwen’;
dit is wederom door de politie verzonnen.
‘Op de dag van het huwelijk had mevrouw Brouwers een ring om.
Ik vond hem wel mooi. Dick zei tegen mij dat ik die ring kon krijgen
wanneer zij overleden was.’
Deze conversatie is opvallend. Er wordt gesuggereerd dat de getuige
mee zou kunnen profiteren van erfenis, maar het wordt (anders dan
bij de rij-instructeur) niet hardop gezegd. Door de verdediging wordt
dit als een truc gezien. Immers, de vrouw werd direct na de eerste
verhoren vrijgelaten en niet meer als verdachte beschouwd, omdat men
anders helemaal geen getuige zou hebben (drie verdachten mogen niet
tegen elkaar getuigen). Het zou dus slecht staan als de vrouw hier
(evenals haar vriend) zou toegeven dat zij van de erfenis zou profiteren
(wat zij natuurlijk wel zou doen als haar vriend met Dick het geld
zou delen).
De hele getuigenis van de vrouw is mede dubieus: als zij getrouwd
waren geweest had de vrouw zich kunnen verschonen. Nu moest ze haar
eigen vriend (met wie ze twee kinderen had) van medeplichtigheid aan
moord beschuldigen. Was ze getrouwd geweest (en had niet kunnen getuigen)
was ze wellicht niet zomaar vrijgelaten.
‘Ook wel is er eens over gesproken haar te laten struikelen,
het bad vol te laten lopen zodat ze zou verdrinken, haar drank en
medicijnen te geven of de badkamervloer met groene zeep in te smeren.
Op 4 november 1983 belde Henk mij 's avonds op dat hij bij Dick in
de Willem Kesstraat in Amsterdam een borrel zou gaan drinken. Om half
elf belde Henk voor de tweede keer en zei dat mevrouw Brouwers dood
was. Ik geloofde dat niet. Ik kreeg toen Dick aan de telefoon, die
zei dat mevrouw ziek was en een hoge bloeddruk had, boven de 200 bovendruk.
Ik heb toen gevraagd of hij er geen dokter bij moest halen . Dick
zei toen dat een dokter weinig kon doen en het alleen maar een paar
uur kon rekken.’
‘Het derde telefoontje kreeg ik rond 12 uur ’s nachts.
Ik kreeg toen te horen dat mevrouw Brouwers was overleden. Henk en
Dick zijn niet meteen naar huis gekomen. Zij zijn eerst naar een café
gegaan. Zij kwamen tussen 3 en 4 uur in de morgen thuis. Dick vertelde
toen dat hij mevrouw Brouwers soep met daarin Palmboom, Surinaamse
rum, heeft gegeven.’
Alle eerdere elementen komen hier terug, inclusief het verhaal van
de soep, wederom van-horen-zeggen.
‘Toen later het stoffelijk overschot van mevrouw Brouwers door
de politie in beslag werd genomen heeft Dick gezegd dat wanneer de
politie vragen zou stellen wij niet alles moesten zeggen, bijvoorbeeld:
- dat hij haar alkohol te drinken had gegeven, - over de telefoongesprekken
van die avond en ook geen bijzonderheden over het huwelijk.
Dit is volgens Dick weer een door de politie afgedwongen bewering.
In bewijsmiddel 7 vertelt de vriendin verder: ‘Dick vertelde
ons dat hij Brouwers alleen voor het geld zou trouwen. Hij belde ons
dagelijks. Altijd sprak hij dan weer over het feit dat Brouwers zo
lastig was en dood moest. Ook toen Dick in Bad Neuenahr was belde
hij dagelijks. Hij vertelde dat hij hoopte dat Brouwers daar zou overlijden.
Hij zou goed verzorgd achterblijven en het zou goed uitkomen als Brouwers
daar dood zou gaan met al die artsen in de buurt. In de periode tussen
22 oktober 1983 en de bewuste vrijdag 4 november 1983 spraken Dick
en Henk voortdurend over de dood van Brouwers. vooral Dick.’
Volgens Dick geheel onjuist, en later ingetrokken door de vriendin.
Al deze constateringen zijn door de verdediging altijd met kracht
bestreden. Dat was een zware taak, want niet bestreden wordt dat het
verhaal van het hof (hoewel feitelijk vrijwel volledig onjuist) optisch
goed in elkaar zit. De subjectieve werking die er van uitgaat is zo
sterk, dat het haast onbegonnen werk is het verhaal te ondergraven.
Er is effectief ‘gestapeld’; er wordt een overvloedige
hoeveelheid zeer verdacht ogende feiten en omstandigheden gepresenteerd,
een goed geredigeerde combinatie van motieven, medisch-objectief ogende
omstandigheden en verdachte handelingen.
Als de verdediging probeert de diverse punten aan te vechten, is dat
haast onbegonnen werk: de lezer denkt onbewust ‘okee, er kan
wellicht twijfel over een onderdeel zijn, maar al die andere kwalijke
punten dan?’. Dit is ook duidelijk zichtbaar in de motiveringen
van de Hoge Raad: in de afwijzingen wordt verwezen naar het ‘geheel
van feiten en omstandigheden’, en daarmee bestempelt men dan
de mogelijke twijfel over een bewijsonderdeel min of meer als niet-relevante
detaildiscussie. Men kan zich eenvoudigweg niet voorstellen dat het
hele verhaal onjuist is.
Notaris komt langs...
Vlak na de verhorenronde komt de notaris van de familie langs met
een opvallende boodschap. Hij zei dat als Dick het recht op de erfenis
zou laten vallen hij geen motief voor moord meer zou hebben, en dat
hij dat dan niet meer vervolgd zou worden. Dick kon deze wending nauwelijks
bevatten en overlegde uitgebreid met zijn huisarts. Het was hem niet
duidelijk hoe hij door de familie en Justitie van moord beschuldigd
kon worden, maar blijkbaar alleen in het geval waarin hij vast zou
houden aan de erfenis.
Rechtbank
Op
29 maart 1983 komt de zaak voor de rechtbank. De Officier van Justitie
eiste voor de rechtbank in Amsterdam vijftien jaar gevangenisstraf
wegens moord. De afgelegde verklaringen lijken de beschuldigingen
(Dick heeft haar extra alcohol gegeven terwijl ze al ziek was) volledig
te dekken.
De op de zitting gehoorde deskundigen verklaren echter geen van allen
dat haar dood met zekerheid een gevolg is geweest van de combinatie
van alcohol en medicijnen. De in haar bloed aangetroffen concentraties
medicijnen worden door apotheker-toxicoloog Van der Ark uitgelegd
als de voor mevrouw normale hoeveelheid. Zij slikte weliswaar iedere
dag een aanzienlijke hoeveelheid, maar toch relatief lichte medicijnen.
Deze medicijnen waren door de artsen aangepast op het alcoholgebruik
van mevrouw Brouwers. Zij waren volledig op de hoogte van haar drankgebruik.
Uiteindelijk beslist de rechtbank dat moord niet bewezen was, omdat
er onvoldoende relatie was tussen het handelen (en nalaten) van Van
Leeuwerden en het overlijden van mevrouw.
Dick ging echter niet vrijuit, want de rechtbank meende wel dat het
te eten geven van soep met 90% rum onverantwoord was, vooral omdat
alcohol gevaarlijk kon zijn voor haar gezondheid. De rechtbankpresident
achtte Dick schuldig aan het nalaten van inroepen van medische zorg,
die geboden was. Dick zou: "uit eigenbelang doelbewust en met
volledige verwaarlozing van de belangen van het slachtoffer heeft
gepleegd respectievelijk nagelaten" [citaat klopt taalkundig
niet] die mevrouw Brouwers fataal werden. Voor de vastgestelde grote
mate van verwijtbaarheid werd Dick veroordeeld tot de maximumstraf
van twee jaar. De als mede-verdachte terechtstaande rij-instructeur
werd vervroegd en volledig vrijgesproken.
Dick van Leeuwerden ging in hoger beroep. Het verhaal van die rum
in de soep was immers onzin. Ze had niet meer gedronken dan anders.
Zijn versie van het verhaal kon bovendien door deskundigen bevestigd
worden. Hij vond twee jaar voor iets dat hij niet gedaan had onverteerbaar.